De Ronde van Vlaanderen treft de Vlaming midden in het hart en overal horen we commentaren over het volkseigen karakter van de koers en de saamhorigheid die dat creëert. De cijfers waren hallucinant. Ruim een half miljoen mensen langs het traject en ook nog eens dik een miljoen volgers, thuis voor de buis. Het onvolprezen feuilleton van Jan Eelen, beter bekend als ‘De Ronde’, haalt nog driehonderdduizend kijkers meer dan de echte ronde. Cijfers om van te duizelen. En als u heeft afgehaakt omwille van het mooie weer, die ‘De Ronde’ wordt zeker en vast nog eens herhaald.
Dan moet u zeker kijken, want naast de vele schitterende verhaallijnen, de puike acteerprestaties, het flitsende ritme, de mooie fotografie en het subtiele geluidsdecor is er veel aandacht voor het taalgebruik van de Vlaming. Iedereen praat in deze serie zijn eigen taaltje wat voor een extra verhaallijn zorgt.
Deze ‘tranche de vie’ is dan ook de mooiste illustratie van wat ik het gebrek aan een eigen Vlaamse identiteit zou willen noemen. De West-Vlaming en de Antwerpenaar in de serie verstaan elkaar niet. Niet omdat ze dat perse weigeren maar ze missen de ondertiteling die hen bij, ik noem maar wat, ‘Man bijt hond’ wel verder helpt.
In de jaren dertig van de vorige eeuw werd dit probleem al onderkend, en het moet gezegd, sindsdien is er fors gewerkt aan een gemeenschappelijk idioom. Toen verschenen advertenties in de kranten met teksten als : “Hoe komt het dat West-Vlamingen en Limburgers ‘Fransch’ moeten spreken om elkander te begrijpen – daarom leer de normtaal en wordt lid van de normtaalbond”.
Een batterij aan middelen werd ingezet om Vlaming, Brabander en Limburger linguïstiek dichter naar elkaar te laten schuiven. Eerst via die bond, daarna in radioprogramma’s en toen de televisie zijn weg zocht naar de huiskamer werd Marc Galle’s ‘hier spreekt men Nederlands’ vervangen door de taallessen van professor Florquin die, samen met Fons Fraeters en Annie van Avermaet, jarenlang zijn beste krachten wijdde aan het bijna evangelische doel om de Vlaming een eenheidstaal te bezorgen. Men liet zelfs een hond aanrukken om ons correcte woorden en begrippen bij te brengen. De ouderen zullen zich de warme stem van de Mechelse Scheper nog wel herinneren.
Al dat goede werk kreeg een vervolg in ‘het veld’ wanneer de overal opduikende ‘ABN-kernen’ in parochiezalen allerhande het verenigingsleven tot meer taalkundige eenheid dwongen.
Niets heeft het opgeleverd. Of toch bijna niets want de Vlaming kan blijkbaar wel ondertitels lezen en begrijpen – nergens ter wereld worden zoveel programma’s in de eigen taal ondertiteld – maar zodra een Brusselaar met een Bruggeling praat is het afgelopen met ‘het begrijpen’ en net zo vergaat het inwoners van Maaseik en Deinze of van Antwerpen en Bilzen. Het lukt niet, de gemeenschappelijke taal slaat niet aan. We hebben bovendien onze dialecten verwaarloosd. De onzorgvuldigheid waarmee we praten heeft ervoor gezorgd dat we twee talen, het eigen dialect en de gemeenschapstaal, zijn kwijtgeraakt. In ruil kregen we het ‘verkavelingsvlaams’, een tegen beiden aanschurkend gebrabbel dat in elke stad anders klinkt.
‘De taal is de ziel der natie, zij is de natie zelve” zoals de Friese schrijver Tjalling Halbertsman ooit verkondigde. Iets wat bij de Vlaamse dichter Prudens van Duyse dan weer als ‘de taal is gansch het volk’ klinkt.
Welnu, we hebben geen taal en daardoor ook geen volk. Met een beetje goede wil kun je in Vlaanderen (het huidige West- en Oost-Vlaanderen samen met stukjes Nederland en Frankrijk) een stam ontdekken. In Brabant (de provincies Antwerpen en Brabant) lukt dat ook nog wel en de beide Limburgen, aan weerszijden van de grens, zingen ook een eender lied. Maar dat is het dan. Moeten we ons land dan nog verder splitsen. Zeker niet maar tenzij we ergens een professor met een hond vinden die ondersteund door de hele machinerie, de televisie en het onderwijs voorop, het tij kan doen keren. Eerder wil ik niemand horen toeteren over identiteit.



Laatste reacties